“Ik wist dat jij zou komen”
Soms maak je iets mee waarvan je eigenlijk niet zo goed weet hoe je het moet vertellen. Omdat het bijna té bijzonder klinkt. Dit is zo'n verhaal.
We waren met een groep jongvolwassenen uit Barcelona een week in Nederland. Een missieweek waarin we van alles deden: daklozenwerk, outreach, mensen ontmoeten, waaronder meerdere keren op de Wallen in Amsterdam.
Voor de meeste jongeren was dit de eerste keer. En ik denk dat iedereen die daar wel eens met dit doel heeft rondgelopen het herkent: je gaat anders kijken. Je ziet niet meer alleen de Wallen. Je ziet de vrouwen achter de ramen. Mensen met een verhaal, een familie, dromen, verdriet, hoop. Mensen die door God gezien en gekend zijn. Mensen die daar niet uit vrije wil zijn.
Tijdens ons eerste bezoek gebeurde er iets kleins. Veronica, één van de jonge vrouwen uit Barcelona, keek naar een vrouw achter een raam. Hun blikken kruisten elkaar even. Ze glimlachten naar elkaar. En dat was het. We liepen verder.
Later die middag verloor Veronica haar telefoon. Niet ergens waar je hem nog even onder een stoel vandaan haalt. Hij viel door een rooster bij het Centraal Station en verdween in het water. Telefoon weg. Bankpassen weg. Reisgegevens weg. Alles weg.
Ik weet nog dat ik dacht: oei, je bent in een vreemd land, afhankelijk van je telefoon voor zo ongeveer alles en ineens heb je niets meer. Maar Veronica reageerde opvallend rustig.
De volgende ochtend kwam ze bij ons. Ze had gedroomd. Over de vrouw achter het raam.
Ze had gedroomd over de vrouw achter het raam.
Dat was op zichzelf al bijzonder. Ze had die vrouw maar heel even gezien. Een blik. Een glimlach. Meer was het niet geweest. Maar in haar droom zag ze haar opnieuw. Alleen zag ze haar niet zoals ze achter dat raam had gestaan. Ze zag haar zonder make-up. Puur. Gewoon als de vrouw die ze werkelijk was. En toen ze wakker werd, wist ze heel sterk: Ik moet haar opnieuw ontmoeten en met haar bidden.
Maar ja... Waar? Ze wist niet meer achter welk raam de vrouw had gestaan. Ze wist de straat niet meer. Eigenlijk wist ze alleen nog hoe ze eruitzag. En als je de Wallen kent, weet je hoe lastig dat kan worden. Straten, steegjes, veel ramen en veel vrouwen die bovendien niet iedere dag op dezelfde tijd werken.
Maar Veronica bleef erover praten. En ze bleef bidden. De dagen daarna kwamen we meerdere keren op de Wallen. Iedere keer keek ze rond. Zonder resultaat.
Toen kwam de laatste ochtend van de reis. We gingen opnieuw op pad. Er stonden kleine plantjes klaar die we aan vrouwen konden geven. En voordat we vertrokken, pakte Veronica één van deze plantjes en hield het apart. Een plantje met witte bloemen, maar één van die bloemen begon net open te gaan en kreeg een roze kleur. Ze zei: “Deze is voor haar.”
Ze wist niet waar de vrouw was. Ze wist niet óf ze de vrouw nog zou vinden. Maar het plantje ging mee. Urenlang. We liepen over de Wallen. We ontmoetten veel mensen, hadden veel gesprekken, deelden veel plantjes uit. En steeds liep Veronica daar met dat ene plantje.
Maar we vonden de vrouw niet. Op een gegeven moment was het programma afgelopen. De groep zou diezelfde middag terugvliegen naar Barcelona. De outreach zat erop. We moesten afronden. Leida en ik besloten om samen met Veronica nog één ronde over de Wallen te lopen. We liepen straat na straat.
Niets. Tot Veronica ineens zei: “Wacht eens... Volgens mij stond ze ergens in de buurt van een kerk.” We besloten om via de Oude Kerk terug te lopen naar de rest van de groep. En toen gebeurde er iets wat ik nog steeds moeilijk vind om zonder emotie te vertellen. Veronica bleef ineens staan. “Daar is ze.”
“Daar is ze.”
Wij hadden haar nog niet gezien. Maar Veronica wel. Ze liep naar het raam en vrijwel meteen ging het open. Daar stond de vrouw over wie ze had gedroomd. Veronica begon te vertellen. Dat ze haar een paar dagen eerder had gezien. Dat ze elkaar alleen maar even hadden aangekeken. Dat ze haar daarna niet meer uit haar gedachten had gekregen en dat ze over haar had gedroomd.
De vrouw luisterde. En vervolgens vertelde ze iets waardoor wij eigenlijk allemaal stilvielen. Zij had óók gedroomd, de nacht ervoor. Ze vertelde dat ze in haar droom had gezien dat er een vrouw naar haar raam toe zou komen om met haar te bidden. En toen ze Veronica door de straat naar haar toe zag lopen, wist ze het.
“Ik wist dat jij zou komen.”
Laat dit even tot je doordringen. Veronica had dagen eerder deze vrouw een paar seconden aangekeken. Daarna droomt ze over haar. Ze weet dat ze haar opnieuw moet ontmoeten en met haar moet bidden. Ze zoekt dagenlang. Ze houdt op de laatste ochtend een plantje apart voor een vrouw van wie ze niet eens weet waar ze is. En ondertussen droomt deze zelfde vrouw, zonder dat zij iets van dit alles weet, dat er een vrouw naar haar raam zal komen.
En dan lopen ze elkaar tegen het lijf. Op de laatste ochtend. Nadat we eigenlijk al gestopt waren met zoeken. En alsof dat nog niet bijzonder genoeg was, bleek er nog iets. Ze konden van hart tot hart met elkaar praten. In het Spaans.
Daar stonden twee vrouwen midden op de Wallen in Amsterdam. De één uit Barcelona. De ander achter een raam. Twee totaal verschillende levens. Twee dromen. En een ontmoeting die geen mens had kunnen plannen.
Er ontstond een open gesprek. De vrouw vertelde over haar leven en over de situatie waarin ze zat. En toen kwam het plantje. Veronica gaf haar het plantje dat ze de hele ochtend voor haar had meegedragen. De vrouw keek ernaar. Naar de witte bloemen en naar die ene bloem die langzaam roze begon open te gaan.
En toen vertelde ze dat dit plantje precies uitbeeldde hoe zij zich op dat moment voelde. Alsof er in haar leven iets nieuws begon te ontstaan. We mochten haar vertellen over de organisaties die dagelijks op de Wallen aanwezig zijn. Mensen die haar kunnen helpen, naar haar willen luisteren en naast haar willen staan.
En uiteindelijk vroegen we of we voor haar mochten bidden. Dat wilde ze graag. Nog geen uur later was de missieweek voorbij. Maar dit verhaal laat ons niet meer los.
“Ik wist dat jij zou komen.”
Misschien raakt het me zo omdat het iets laat zien wat we gemakkelijk vergeten. Wij organiseren missiereizen. We maken programma's. We plannen outreaches. We regelen vervoer, locaties en activiteiten. We trainen jongeren en sturen ze op pad.
Maar uiteindelijk kunnen wij dit helemaal niet organiseren. Maar God kan het wel. Hij had haar gezien voordat wij haar zagen. Hij kende haar verhaal voordat wij het hoorden. En terwijl wij over de Wallen liepen en eigenlijk geen idee hadden waar we mee bezig waren, was God blijkbaar allang bezig.
Dat vind ik misschien wel het meest indrukwekkende van ons werk. Je hoeft God niet ergens naartoe te brengen. Hij is er al.
De vraag is of wij bereid zijn te luisteren. Of we bereid zijn om soms nóg een rondje te lopen als het programma eigenlijk afgelopen is. Of we beschikbaar zijn wanneer God ons op het spoor brengt van iemand die Hij allang heeft gezien.
Veronica was beschikbaar. En ergens achter een raam op de Wallen zat een vrouw die blijkbaar door God niet vergeten was.
Wij hadden deze ontmoeting nooit kunnen bedenken. Nooit kunnen plannen. Nooit kunnen organiseren. Maar God wel.